Geschiedenis van De Kempen

Naamgeving De Kempen

De naam van de streek is een vervorming van het Latijnse Campinia of Campina, hetgeen ‘open ruimte’ betekent (campus = vlakte). Ook worden de Kempen soms als Toxandrië aangeduid, een naam die uit de Romeinse tijd.

Romeinse tijd

Toen de Romeinse veldheer Julius Caesar deze contreien bezette, werd ‘Toxandria’ bewoond door Eburonen, en nadat die uitgeroeid waren ten gevolge van de opstand onder Ambiorix vestigden zich hier Toxandriërs, die hun naam gaven aan het gebied. In 358 na Chr. vestigden de Salische Franken zich als Laeti in Toxandria. Het maakte deel uit van het Romeinse Keizerrijk tussen 12 v.Chr. en 406/407 na Chr.

Ook de Romeinen hebben dus hun sporen nagelaten in de Kempen. In Hoogeloon heeft men de resten van een Romeinse villa ontdekt uit de 2e eeuw. Deze villa maakte deel uit van een agrarische nederzetting. Langs een weg tussen Hapert en Casteren is een Romeinse muntschat met 2598 munten uit de 3e, 4e en 5e eeuw gevonden. Er zaten munten tussen van o.a. Tetricus I, Julianus, Valentinianus I, Honorius en Arcadius. In Diessen, vermoedelijk Deusone geheten in die tijd, zijn een fragment van een Romeinse dakpan, terra sigillata en een bronzen munt van Constantijn gevonden. In Veldhoven zijn een terracotta beeldje van de godin Diana en de resten van een Romeinse wachttoren ontdekt.

Vikingen

In de Kempen wordt veelal voorbijgegaan aan de invloed die de Noormannen op deze dunbevolkte streek hadden, ook wat het ontstaan of de ligging van dorpen of hun benamingen betreft. De Vikingen hebben ook veel gebouwen, documenten en andere vormen van bestaande cultuur vernield of verbrand en zo ontstond er een gebrek aan historische gegevens over de periode 850-1100 in deze streek, dat tot op heden niet werd aangevuld.

Werken van Marcel Mestdagh beschrijven hoe veel van de namen in het gebied zijn terug te leiden naar de 9e eeuw, toen deze streek geplunderd werd door de Noormannen. Zo is er bij Tielen een stuk land met de naam Walravens en treffen wij het kasteel (vroeger Hof van Thielen) Willaert aan, vroeger geschreven als Wylaert en nog steeds uitgesproken als Waailaart; dat verwijst naar Wy (Vikingheiligdom) of Wyking (Noorman, Viking). De Willaert is dus de grond die door de Noormannen werd gecultiveerd en door de eeuwen heen werd opgehoogd.

De kadastrale benaming in Tielen van een stuk grond in de driehoek met Walraevens en Willaert heet Rozenwijk, waarbij roes of roos (ros of rus) duidt op de haarkleur of benaming van de roodharige Noormannen die daar ongetwijfeld verbleven. De familienaam Roes komt zelfs nog voor in Tielen en roodharigheid (genetisch erfelijk) wordt geassocieerd met inwoners van Tielen gezien de hoge frequentie van roodharigheid onder de huidige bevolking.

Industrialisatie

Aangezien het een streek was met arme zandgronden was de streek voor de Eerste Wereldoorlog erg dunbevolkt. Er was veel armoede omdat de grond niet veel opbracht en er nauwelijks bemest werd. Steden en zelfs dorpen kwamen zelden voor, de bevolking was meestal geconcentreerd in gehuchten. Pas eind 19e eeuw vatte de Industriële Revolutie er aan.

Er liggen weinig oude of grote steden, die liggen eerder aan de rand. Turnhout vormt hierop een uitzondering, en wordt wel eens de “hoofdstad van de Kempen” genoemd. Belangrijk voor Turnhout en omgeving zijn de papiernijverheid, chemische en farmaceutische industrie en steenbakkerijen. Ook het meer centraal gelegen Herentals stond economisch sterk dankzij de lakennijverheid waarvan de lakenhal op de Grote Markt nog steeds de exponent is.

Er waren ook verschillende abdijen voor monniken die er rust konden vinden. Zo liggen er onder meer de abdijen van Achel, Zundert, Postel, Westmalle en Tongerlo. Maar de grote open ruimte werd ook benut voor de eerste nucleaire installatie in België en diverse militaire terreinen, zoals het kamp Leopoldsburg, de vliegbasis Kleine-Brogel, het voormalig schietveld van Brasschaat en Cooppal met bijhorende oefenterreinen in Kaulille.

Omdat de Kempen bovendien in het midden van de IJzeren Rijn liggen, vestigde zich hier ook vervuilende industrie, waaronder veel metaalverwerkende industrie. Er waren zinkfabrieken in Balen, Lommel, Overpelt en Rotem. Na 1900 werden de Kempische steenkoolmijnen gesticht ter ontginning van de Limburgse Kempen. Vanwege de snelle industrialisatie werd de provincie ontsloten en ontstonden er (vooral na de Tweede Wereldoorlog) nieuwe kernen, waaronder Geel, Beringen en Genk.

Veel Kempische dorpen hebben zich dan ook van veel historische elementen ontdaan. De meest pittoreske dorpen in de Noord-Brabantse Kempen zijn Oirschot, Bergeijk, Eersel en Hilvarenbeek. Hier liggen ook een aantal dorpen die bekend staan als de “Acht zaligheden“. Ook in de Antwerpse en Limburgse Kempen zijn er nog mooie heidegebieden bewaard gebleven en ook hier heeft men zijn “Acht zaligheden”, maar dan wel in de vorm van een merkwaardige dennenboom, de Achtzalighedenboom. Vooral de streken rond Kasterlee, Lommel en Mol zijn belangrijke toeristische trekpleisters.